Sterfdag

-9 aug 2015- Bertus van Genderen maakte zich op voor hun dagelijkse wandeling. Het was weer zo’n mooie tropisch warme dag. Vandaag had Sarah geen zin om te wandelen, vandaag was Sarah moe. ‘Ga maar alleen,’ zei ze met een geruststellende glimlach. Deze keer lag er iets in haar glimlach dat hem van zijn stuk bracht. ‘Er is toch niets met je aan de hand?’ vroeg hij. Sarah had al jarenlang last van een lekkende hartklep. Vooral op deze hete dagen raakte ze snel uitgeput. Nooit eerder had ze verzaakt. Elke dag deden ze trouw samen hun wandeling. Dat was het hoogtepunt van de dag. Zelfs in de winter of als het regende lieten ze niet verstek gaan.

‘Dan blijf ik ook thuis.’Bertus draaide zich resoluut om. ‘Nee, ga jij nou maar je wandelingetje maken.’ En weer had Sarah die glimlach, de glimlach van iemand die afscheid nam. ‘Je bent er toch nog wel, hè, als ik terugkom?’
‘Natuurlijk ben ik er. Ik ben er toch altijd. Maak je nou maar geen zorgen. Ik ben gewoon een beetje moe. Ga nou maar. Het is goed voor je.’
Bertus liet zich overhalen. Voordat hij in het park voor hun huis verdween, keek hij nog even om. Sarah stond nog steeds in de deuropening. Ze zwaaide naar hem, hij zwaaide terug.

Hij liep het talud op naar het hoger gelegen pad. Opeens had hij geen zin meer om verder te lopen. Zonder Sarah was er niets aan. Hij zeeg neer op het bankje onder het sterfplekzomersgeurende lover van de bomen. Vanaf het bankje kon hij nog net hun huis zien. Ze hadden het ooit in 1955 voor vijftienduizend gulden gekocht. Nu kon hij het zeker voor 5 ton in euro’s verkopen. Hij kon zich niet voorstellen dat ze ooit ergens anders zouden wonen.  Ze hadden het altijd goed gehad samen. Op zijn negentiende was hij begonnen als jongste bediende bij de bank en was hij uiteindelijk opgeklommen tot algemeen procuratiehouder. In 1995 ging hij na 45 dienstjaren met pensioen. Er waren wel 300 man op zijn afscheidsreceptie. Kinderen waren er nooit gekomen, hun enige grote verdriet. Zijn zaad was lui, voor de rest was hij zo gezond als een vis. Hij slikte nog niet één pil. De enige pillen die hij slikte waren de vitaminepillen die Sarah hem gaf.

Bertus keek naar hun huis. Dit was een van zijn favoriete plekjes. Vaak zaten ze er samen, tevreden genietend van het uitzicht en de lommerrijke omgeving. Door de jaren heen was daar nooit iets veranderd. Dat was zo bijzonder aan deze plek. Eigenlijk had hij niets om triest over te zijn, maar waar kwam opeens dat diepe verdriet dan vandaan, alsof hij voorgoed ergens afscheid van moest nemen? Op een keer had hij Sarah toevertrouwd dat als hij dan toch sterven moest, het hier op deze plek moest zijn, terwijl hij via het doorkijkje uitzicht had op hun huis, waar hun leven lag.

Voor zich uit mijmerend realiseerde hij zich dat de meeste mensen niet weten dat wanneer ze ’s ochtends opstaan, die dag hun sterfdag is. Toch heeft hij altijd geloofd dat wanneer het zover is, je door een diep innerlijk weten gewaarschuwd wordt, vlak voordat het klosje tot aan het end is afgerold. Opeens wist hij het, ze had voorgoed afscheid genomen, ze had het aangevoeld. Bertus zonk weg in een diepe triestheid, zo diep dat hij een heftige steek in zijn hart voelde. Hij wilde opstaan en naar huis rennen. Misschien was het nog niet te laat om zijn Sarah nog één keer in zijn armen te nemen en haar liefdevol vaarwel te kussen. Dat had hij haar immers beloofd. Zij mocht eerst, dan zou hij niet lang daarna volgen. Hij zou het grote verdriet, het gemis voor zijn rekening nemen, ondanks dat zij veel sterker was dan hij.

Bertus’ linkerarm hing slap langs zijn lichaam, de enorme kramp op zijn borst benam hem de adem. Met een laatste krachtsinspanning probeerde hij op te staan, maar hij viel voorover. Met zijn hoofd liggend op zijn naar voren gerichte rechterarm, nam hij voor een laatste keer het idyllisch tafereel in zich op. Dit was te vroeg, dit was tegen de afspraak. Hoe moest, hoe kon Sarah…? Het beeld vervaagde, ver weg voelde hij de pijn nog wel. Hij tolde en tolde, heel even hoorde hij zijn naam… tot hij niets meer hoorde, niets meer voelde en er niets meer was.

Advertenties