Ik moet alleen soms zo huilen

11 november 2014 – Als ik uit het raam kijk, zie ik mijn klasgenootjes met zwemtassen voorbijkomen. Ik wou zo graag dat ik met ze mee mocht, maar ik heb geen vriendjes, ik heb poliobeentjes. En als je poliobeentjes hebt dan ben je raar, dan wil niemand met je naar het zwembad. En ik zou zo graag willen dat ik niet raar was.
Op school mag ik alleen meedoen met vangertje, maar ik vang nooit iemand, want ik kan na mijn polio bijna niet lopen. Als ik vanger ben, mag iedereen mij duwen, want dat is leuk. Het aller-leukste is wel als ik op de grond val en niet meer op kan staan. Als ik een beetje bang ben gaat mijn mond scheef hangen en dan ga ik slissen. Dat komt ook door de polio, zegt mijn moeder. Dat slissen is zo leuk, bijna iedereen probeert mij na te doen.
Maar de meester vindt het niet zo leuk, want hij trekt mij aan een arm omhoog en sleept me achter zich aan naar binnen. Daar moet ik voor straf op de gang blijven staan, wel de hele middag. Ik vind staan niet zo heel erg fijn, want mijn beugeltjes doen nu zo zeer. Ik kijk door de ruitjes van de deur de klas in. Meester Hanegraaf leest voor uit Fulco de Minstreel. Ik moet een beetje huilen, want Fulco de Minstreel vind ik heel mooi, maar als je poliobeentjes hebt en op de grond ligt en er een gat in je broek zit, dan mag je niet naar Fulco de Minstreel luisteren.

Mijn beentjes doen nu zo’n pijn, ik kan nu echt niet langer meer staan, daarom ga ik maar even op de grond zitten. Ik wil niet huilen, want dan ben ik geen kerel, zegt mijn vader. Kerels huilen niet. Als de bel gaat, rennen alle kinderen naar buiten. Ik wil wel opstaan, maar ik heb weer polio lijkt het wel. Ik haat polio. Als Henk voorbijloopt schopt hij tegen mijn benen. Lex, Nanne, Herman, Freek, Kasper, allemaal doen ze Henk na. Opeens is iedereen verdwenen, dat komt omdat mijn moeder er aankomt. Ik ben een beetje bang, want meester Hanegraaf roept mijn moeder binnen. Even later komt ze weer naar buiten en kijkt boos. ‘Vooruit op je benen.’ Ze trekt mij aan een arm omhoog, net als meester Hanegraaf deed. ‘Waarom ga jij steeds op de grond liggen, wat is dat voor onzin, en waarom doe je dat midden op het schoolplein? Je bent te vies om aan te pakken. Moet je nou kijken, je broek is gescheurd en hij zit onder het bloed. Jij bent geen dure kleren waard! En loop normaal. Je bent nu niet ziek meer.’ Ik wil wel graag wat zeggen, maar mijn mond zakt weer scheef en de woorden komen niet.

Buiten houdt Simon, onze chauffeur, het achterportier al open. Hij knipoogt naar mij. Niemand knipoogt naar mij, behalve Simon. Ik wou dat Simon mijn vader was. Thuis moet ik voor straf naar mijn kamer. Mijn moeder heeft eerst mijn kapotte broek uitgedaan en een pleister op mijn knie geplakt. En ik mag de rest van de middag ook mijn beugeltjes niet om, omdat ze helemaal verbogen zijn, zegt ze. ‘Weet jij wel hoe duur die dingen zijn? Als papa thuiskomt, nou dan zwaait er wat. Hopelijk kan hij ze nog rechtbuigen.’

Mijn vader is nog bozer dan mijn moeder en meester Hanegraaf bij elkaar. Ik krijg een enorme draai om mijn oren en ik moet de hele week zonder beugeltjes naar school, maar nu moet ik meteen naar boven naar mijn kamer, en zonder eten naar bed. Op weg naar boven moet ik mij goed aan de leuning vasthouden om niet van de trap te vallen. Bij de laatste vier treden doen mijn benen zo verschrikkelijk pijn, dat ik nog liever naar beneden val dan dat ik nog één poot verzet.

Net op het moment dat ik me naar beneden wil laten vallen, word ik omhoog getild, ik kijk in het huilende gezicht van Nettie, ons dienstmeisje. ‘Ach, jongen toch,’ snikt ze. Ze drukt mij tegen zich aan. Ik voel haar zachte busten, want die bobbels heten busten, dat heb ik van mijn moeder, die heeft ook busten. Nettie draagt me naar mijn kamer, daar kleedt ze mij uit. Ik krijg daar een beetje een stijf piemeltje van. Ik weet niet hoe dat komt. Nettie lacht en zegt: ‘Ach kijk nou,’ dan geeft ze met haar wijsvinger er een klein petsje tegen. Daar moet ik van giechelen en zij ook.

Als ik in bed lig en ze me heeft toegedekt, komt ze nog even op de rand van mijn bed zitten en aait ze door mijn haar. ‘Ben je dan zo eenzaam, hmm, ah gossie.’ Ik zie tranen in haar ogen. ‘Nee, ik ben niet eenzaam,’ zeg ik gauw, omdat ik het zo naar vind als ze huilt. ‘Je hebt helemaal geen vriendjes, hmm.’ Dan neemt ze me stevig in haar armen. Nettie ruikt lekker naar zeep. ‘Ik ben echt niet eenzaam, hoor,’ zeg ik nog maar een keer. ‘Ik moet alleen soms zo huilen.’

Advertenties