Gedachtelezen aan het strand

19 juli 2014 – Het is nog vroeg in de ochtend maar al bloedheet. Het belooft zo’n heerlijk lome dag te worden, zo’n dag waarop je niets onderneemt en alleen maar verkoeling zoekt, sorbets en milkshakes drinkt. In de open schuifpui staar ik naar buiten over de stille zee, waarin de ochtendzon zich spiegelt. De branding is niet meer dan een lichte oprisping die met slechts enkele rimpeltjes wegzakt in het zand, een flauw schuimspoortje achterlatend. Het strand is nog leeg. Ik schiet in mijn kleren die nog in een prop op de stoel liggen. Vanuit de tuin stap ik met een badlaken over mijn schouders over het hek en loop, of liever gezegd: glijd ik door het rulle duinzand richting het strand. Daar kijk ik om mij heen, niemand te zien. Ik waag het erop en ren spiernaakt de zee in. In het zilte water kom ik helemaal bij. Ik trek eerst een paar stevige baantjes.

Als ik uit het water omhoog kom en het strand op wil lopen, zie ik tot mijn schrik een jonge vrouw op het strand zitten. Ze zit pal naast mijn kleren. Wat nu? Ze is zo verdiept in haar boek dat ze mij nog niet heeft opgemerkt. Ik kan toch moeilijk piemeltjenaakt op haar af stappen. Nu heb ik niet de ervaring dat men erg schrikt wanneer men met mijn trouwgereedschap wordt geconfronteerd of dat het angst inboezemt of respectvol bekeken wordt. Niets van dat al. Het is meer een uit de kluiten gewassen, opgevoerde garnaal die niets om het lijf heeft. Zo’n kleurloze middenstander die het nooit laat afweten, kan bouwen op een vaste klantenkring en zo nu en dan een nieuwkomer. Opeens zie ik half in het zand verscholen, met de steel ferm omhoog gestoken, een steelpannetje liggen. Ik pak het op en houdt het pannetje voor mijn door joodse reinheid gescalpeerde zaadfabriek. Iets zelfverzekerder nu mijn fijnbesnaard instrument aan het wellustig vrouwenoog onttrokken is, stap ik op de vrouw af.

Als ik voor haar sta, kijkt ze op van haar boek en glimlacht vriendelijk naar me. Met nog steeds het steelpannetje ter bestemder plekke spreek ik haar aan: ‘Ach mevrouw, ik ben schrijver moet u weten, en als zodanig geïnteresseerd in boeken. En u moet mij maar niet kwalijk nemen, ik zag de titel van uw boek: “Gedachtelezen”. Ik zou u willen vragen, kunt u nu ook mijn gedachten lezen?’ Ze lacht een ondeugende lach, schuift haar zonnebril omhoog en laat haar blik op het steelpannetje rusten. ‘Of ik kan gedachtelezen…? Dat zal ik u demonstreren…Wat dacht u van deze? Op dit moment denkt u namelijk dat er een bodem in het pannetje zit.’

(Jiddische humor)

Advertenties