Geboortetrauma

Ik krijg het Spaans benauwd. Het lijkt godverdomme wel of ik door een nauwe tunnel gedrukt word. Aan het eind zie ik een fel licht. Ik lag net lekker op mijn duim te zuigen, zwevend in het heerlijk warme water toen de ellende begon. Opeens was het water weg en kwam ik droog te liggen. En nu lig ik hier in die tunnel naar lucht te happen. Buiten hoor ik een vrouw als een gek krijsen, tjonge jonge. Nog daarbovenuit  komt de stem van een of andere randdebiel die roept: ‘Toe dan, toe dan! Persen, pers dan! Ik zie het hoofdje al!’ Na een enorme kreet van dat overdreven schreeuwmens word ik naar buiten geperst of ik wil of niet. Ik probeer me nog af te zetten, maar ik zit onder het vet, er is geen houwen meer aan.

Voor ik er erg in heb kijk ik in de ogen van een ouwe vent met een kale kop. ‘Ja-a-a, een zoon!’ brult hij. Ik kijk om mij heen. Het zal wel… ‘Een zoon!’ brult hij nu nóg harder. Jezus, ik ben niet doof, godskolere. Dan zie ik 3 zedige paranimfen om het bed staan. Ze kijken naar me met van die gemalen-poppenstrontgezichtjes.
‘Jullie hebben een broertje!’ begint die ouwe weer te brullen. Dat is te veel, ik trek mijn scheur open en zet het op een blèren. Tegelijkertijd doe ik verwoede pogingen om in het gezicht van een van de drie paranimfen te plassen, maar ik kom net niet hoog genoeg. ‘Ik krijg jullie nog wel,’ roep ik. Maar ze verstaan mij niet en blijven me maar zoetsappig aankijken.

Komt er opeens uit het niets een blonde dame met een wit schort voor op me af. Ze pakt me op en legt me op een tafel. Ik word er stil van. Ze begint al het smeer van mij af te vegen. Daarna frommelt ze een lap tussen mijn benen en wikkelt ze mij in een doek met een capuchon die zowat tot over mijn ogen valt. ‘Zo kan ie wel weer,’ roep ik. Ze reageert er niet op. ‘Kijk eens, mevrouw. Hier is uw zoon,’ zegt ze tegen een bezweet oud mens dat net zo ruikt als waar ik uit gekomen ben. Ze ligt in een bed en ziet eruit alsof ze tien jaar dwangarbeid achter de rug heeft. Ik roep nog: ‘Nee! Ik wil niet.’ Maar ik kan schreeuwen wat ik wil, niets helpt.

Dat mens spoort dus echt niet helemaal. Ze laat ze me meteen een van haar borsten zien en duwt  een soort speen in mijn mond. ‘Zuig maar, drink maar, toe maar.’ Afijn, ik zuig en ik zuig, meer om haar een plezier te doen. ‘Gatverdamme!’ Ik laat de speen uit mijn mond glijden en zet het weer op een blèren. Niet te zuipen die troep. Ik kijk achterom naar die ouwe kerel. ‘Hé, ben jij mijn opa of mijn vader? Maakt ook niet uit trouwens.’
‘We noemen hem Robert,’ brult hij met luide stem alsof hij mij niet gehoord heeft.

Opeens hangt een van de paranimfen boven me. ‘Ja ja ja ja ja, Robertje wil niet drinken, hè.’ Ik schrik me kapot. ‘Ja… ja… Robertje heeft nog geen trek, hmm.’ Vervolgens begint ze met haar vinger op mijn borst te prikken en infantiele geluiden te produceren, zoiets als: ‘Ooo, tibidibidoe. Ooo rikitikkie… Joaaah waar is ie dan, kiekeboe, sssja… waar is mijn kleine poepiedoepie broertje dan?’ Nee, hè, en dat is er nog maar één. Als ik mijn andere twee zussen zie zitten, zullen die niet veel beter zijn. ‘En trouwens: who the fuck is Robertje? Bedoel je mij soms?’

Ik vraag me nu toch werkelijk af wat er fout is gegaan. Ik zweefde boven een mooie vrijstaande villa die me wel aardig leek. Reïncarneren doe je per slot van rekening niet dagelijks. Ik had eerst zorgvuldig de omgeving verkend: mooie parken, mooie wijk, overal dure auto’s, dus what the hell ik waagde het erop. Ik had er beter aan gedaan eerst even binnen te kijken. Foutje bedankt, hier zit ik voor de komende 80 jaar mooi aan vast. Nee, het ware beter geweest als ik nooit opnieuw geboren was. Het gekke is dat ik me niets meer weet te herinneren van mijn vorige leven. Ik zet het op een persen. Oe-oeh! Tjonge jonge dat valt niet mee. Ik geloof dat ik aan de dunne ben. Ik draai mijn kont lekker in de warme brij, dan val ik uitgeput in slaap.

Advertenties

Een engeltje in een rolstoeltje

10 juni 2014 – De badkamerkraan lekte, en wanneer ik hem nou eens dacht te repareren. Je begrijpt het al, mijn zeer gedecideerde, doch uiterst beschaafde echtgenote drong nu wel heel sterk aan. Het was mooi weer, dus besloot ik de auto te laten staan en nam de fiets, een oude Union met drie versnellingen en trommelremmen.
Bij de Gamma hadden ze wat ik zocht, een nieuw keramisch binnenwerk en een kraanuitloop + straalregelaar. Nadat ik de spullen in mijn fietstas had opgeborgen, besloot ik de route langs het bos te nemen.

Dat ik een bevoorrecht mens ben wist ik natuurlijk al, maar wat mij vanmorgen overkwam slaat alle records. Stevig doortrappend zag ik haar steeds groter worden. Het leek haast of de plek waar zij zich in haar rolstoeltje, waarvan één band lek was, moeizaam voortbewoog met een aureool omgeven was. Toen ze mijn krakende trapper achter zich hoorde, keek ze om. De gekwelde blik in het mooie, fijnbesnaarde gezichtje raakte mij meer dan ik in woorden kan vatten. Mijn hart stroomde over, haar tengere verschijning, kwetsbaar haast, daar zo hulpeloos te zien ploeteren… ‘Ach, meid toch, heb je een lekke band?’ vroeg ik meewarig. ‘Ja, en ik moet nog een heel eind. Ik ben net vandaag voor het eerst naar buiten met mijn nieuwe rolstoel.’ Even stokte er iets in mijn keel, maar ik herstelde me gauw. ‘Ik heb in mijn fietstas zo’n bus met schuim, speciaal voor lekke fietsbanden, alleen dan moet je wel even uit de rolstoel, anders kan ik de band niet oppompen.’ Ik zette mijn fiets op de standaard. ‘O, geweldig!’ riep ze. Ik zag haar gezichtje helemaal opklaren. Ze droeg een zwart hemdje, een driekwart legging en aan haar voetjes zaten goudkleurige Sneakers, waarvan de zooltjes nog ongebruikt waren.

Ik rolde haar naar een bankje dat een paar tellen terug stond. ‘Ja, hoe krijg ik je er nou uit?’ vroeg ik. ‘O, dat weet ik wel. Heeft u een brede riem?’ Ik liet haar mijn broekriem zien. ‘O, die moet het wel houden,’ zei ze. ‘Als u hem nou losmaakt  en hem dan in een lus voor me houdt, dan laat ik mij er vanuit de stoel in glijden, maar dan moet u me niet laten vallen hoor.’ Ze kreeg even een frons. ‘Maak je maar niet ongerust, dat gaat helemaal goed komen,’ stelde ik haar gerust. Ze deed met een parmantig gebaar het haar achter haar oren en gaf zich toen aan mij over. Toen ze haar armpjes om mijn nek sloeg, schoot ik vol. Ik droeg haar naar het bankje en zette haar voorzichtig neer. Ze keek mij aan en giechelde verlegen toen ze mijn vochtige ogen zag. ‘U bent een lieve meneer,’ zei ze. Ik glimlachte naar haar en draaide mij gauw om, om mijn fiets te halen. Weer terug plaatste ik het slangetje van de schuimbus op het ventiel van de rolstoel. ‘Ik hoop dat het werkt,’ zei ik. ‘Nou, dat hoop ik ook,’ zei ze terug. ‘Ik heet Esther en hoe heet u?’
‘Ik ben Robert.’ Ik gaf haar een hand. Ze had haar mooie, zwarte rolstoelhandschoentjes nog aan.

Gelukkig werd de band keihard. ‘Toen ze zag dat het schuim werkte, klapte ze in haar handjes. ‘O, wat goed. O, ik ben zo blij. Ik ben zo ontzettend blij.’ Ik schatte haar een jaar of 17 hooguit 18. Alsof ze mijn vraag aanvoelde, keken haar grote, donkere kijkers mij opeens heel nadrukkelijk aan. ‘Ik ben aangereden door een auto. Het was niet mijn schuld, hoor. Twee jongens schoten met hun auto het fietspad op…’ ze nam even een pauze. Ik was inmiddels naast haar komen zitten. ‘Eigenlijk ben ik net uit het revalidatiecentrum. Dit is de eerste keer dat ik alleen op pad ben. En mijn moeder was toch al zo ongerust.’ Ze grinnikte.

‘Is het blijvend?’ vroeg ik voorzichtig. ‘Ja, het komt nooit meer goed. Dat is best wel kut.’ Ze trok heel even met haar mond, maar ze hield zich goed. Het liefst had ik haar in mijn armen genomen en haar beter gekust, zodat ze weer dartel rond kon springen. Even zaten we zwijgend naar de grond te staren. ‘Zal ik je weer in je stoel tillen?’ vroeg ik. Ik hield de lus van mijn riem voor haar, maar dat ging niet zo goed omdat ze de leuning van de rolstoel miste om zich op te duwen. ‘Mag ik je optillen?’ vroeg ik. Ze keek me lachend aan. ‘Ja, doet u maar.’ En opnieuw stroomde mijn hart over toen ze haar armpjes weer om mijn nek sloeg en ik het vederlichte lichaampje in mijn armen hield. Even mocht ik haar benen zijn. Voorzichtig tilde ik haar terug in de rolstoel. ‘Ik fiets nog even met je mee,’ zei ik. ‘Maar ik ga hard, hoor. Kunt u wel zo hard fietsen?’ zei ze met een speelse blik in haar ogen. Ik lachte. ‘Moet jij eens opletten,’ riep ik. Ze zette de vaart erin en keek lachend achterom.  In het dorp moest zij rechtdoor bij de kruising en ik linksaf. ‘Ik red het verder wel. Het is niet ver meer.’ Ze stak parmantig haar handje uit. ‘Dag meneer Robert. En nog onwijs bedankt, hè.’ Ik bleef even staan kijken hoe ze behendig wegrolde. Ze keek nog één keer achterom en zwaaide. Een mooier geschenk had ik vandaag niet kunnen ontvangen. Zo veel leed al in haar jonge leventje en dan toch zo dapper en blijmoedig, is zij een voorbeeld voor ons allemaal. Zij was het engeltje dat vandaag op mijn pad kwam.