Mijn zevende leven

16 maart 2014 – Rijdend op de Duitse Autobahn, 230 op de teller. Een flauwe bocht naar links. Opeens een fiets die zich losmaakt van het dak van mijn voorganger. Een ruk aan het stuur. De fiets en mijn voorganger ontweken, maar dwars voortglijdend, tegensturend komt de vangrail naderbij. ‘Dit was het!’ schreeuw ik als een kamikazepiloot vlak voordat hij op het dek van het schip te pletter slaat. Een plotsklapse enorme zwaai van de achtersteven. Ik vlieg de andere kant uit richting de grasberm, daar krijg ik hem eindelijk nog wat kwispelend met zijn kontje recht. Trap op de rem, maar dat gras remt niet, zelfs niet met abs. De graspollen vliegen als een boeggolf langs mij heen. Onder de auto hoor ik een paar doffe klappen. Hij springt op uit een paar kuilen. Ik verwacht dat mijn spoiler er elk moment af kan vliegen. Eindelijk komt mijn trouwe 407 tot staan en ronkt nog wat na als een paard dat op hol geslagen was. Ik luister naar het bonken van mijn hart, niet in staat mijn bevende lichaam onder controle te krijgen. Zo veel adrenaline verwerk je niet meteen. Ik stap uit en bekijk mijn trouwe ezel. Alles is zowaar ongeschonden, behalve een kras op het achterspatbord, waarschijnlijk van een tak, is er niets aan de hand. Uit de BMW die voor mijn auto parkeert stappen twee agenten. Ze hadden het allemaal op afstand gezien. Mijn voorwielen zitten ingegraven in een diep spoor. Met een trekkabel bevestigd aan hun trekhaak helpen ze mij eruit. Ze raden mij aan om bij het eerste de beste tankstation te stoppen en mijn auto door de wasserette te halen, en meteen even onder de auto te kijken. Dat doe ik. Wanneer ik onder mijn schoongewassen auto kijk, zie ik niets bijzonders. Remmen, sturen, schakelen doet hij net als voorheen, dus ik maak mij geen zorgen. Gelukkig maar, want ik moet om 10 uur in Zwolle zijn voor de auteursdag. Afgezien van de vlakke plekken op mijn achterbanden, waardoor een tjompend geluid door de auto trekt, rijdt hij normaal. Om half tien parkeer ik mijn bolide in de parkeergarage.

Om vier uur stap ik weer in de auto om mijn volgende missie te volbrengen, een oude tante in Zevenaar help ik elk jaar met haar belastingaangifte. We doen eerst de belasting, een kwartiertje werk, daarna babbelen we wat. Tante vraagt of ik nog steeds bij die bank ben. Ik zeg dat ik al 63 ben en er sinds mijn 58ste al niet meer werk. Het mensje is stomverbaasd. Ze ziet mij waarschijnlijk nog als het kleine neefje. Na het eten vertrek ik huiswaarts.

Bij het nemen van de hobbels over het bospad hoor ik het al, de rechter fuseekogel rammelt behoorlijk. Ik geef een paar rukken aan het stuur, maar mijn trouwe vierwieler gehoorzaamt prompt en messcherp. Echter bij Arnhem begint hij zwaar te sturen. Ik besluit toch door te rijden, maar dan wat langzamer. Niet harder dan 80 sukkel ik over de A12. Als ik onze straat indraai vliegt het stuur zowat uit mijn hand. Het inparkeren heeft iets weg van armpjedrukken. Ik moet denken aan de tijd dat ik samen met een vriend in een oude Krupp vrachtwagen met oplegger en zonder stuurbekrachtiging naar Italië reed. De vader van die vriend had een transportbedrijf en wij mochten in de vakantie een lading fondant wegbrengen. In de bergen moest je op tijd met tussengas terugschakelen anders kwam je de berg niet op. Je moest ook spierballen hebben om de haarspeldbochten te nemen. Wanneer ik bij het uitstappen onder mijn auto kijk zie ik het al, het stuurhuis had blijkbaar zo’n oplawaai gekregen dat het laatste restje hydraulische vloeistof wegdrupt op de straat.

Onder het genot van een kop koffie vertel ik mijn echtgenote wat mij op de Duitse Autobahn is overkomen. Haar enig commentaar is: ‘Jij komt er voorlopig niet meer uit en je gaat maar een nieuwe auto kopen, want in deze krijg je mij niet meer.’ ‘Ja, je hebt gelijk. Ik ga morgen een Porsche kopen. Die kunnen zo’n snelheid beter aan.’ Dat had ik beter niet kunnen zeggen. ‘Jij gaat helemaal geen Porsche kopen, jij gaat deze lijst met klusjes in huis afwerken. En dan zullen wij nog weleens zien. Want als jij je als een bezetene gedraagt op de Duitse Autobahn, zonder aan mij en aan je dochter te denken, dan ben jij geen auto waard. Voorlopig blijf jij thuis.’ Werd ze maar kwaad, ramde ze desnoods huilend met haar knuistjes op mijn borst, mij voor idioot uitscheldend, dat is minder erg dan dat beschaafde, dat onderkoelde. Dat superieure, gedecideerde toontje, waardoor ze mij in haar macht heeft en ik weer een nietig klein boefje wordt dat weer eens kattenkwaad heeft uitgehaald.

’s Avonds in bed onderneem ik een flauwe toenadering, maar het is nog te vers, ze heeft het nog niet verwerkt. Blijkbaar ligt het nog te gevoelig. Dus dat zou de komende dagen, of God mag weten hoe lang, mij ook nog worden ontzegt. Het ultieme middel waarmee je een man kunt straffen. Tweehonderddertig is blijkbaar de grens. Langzaam dringt het tot mij door dat ik dan weliswaar aan het prille begin sta van mijn 7e leven, maar dat het ontegenzeglijk beter ware geweest als ik nooit geboren was, want ik heb zo’n donkerbruin vermoeden dat ik met dit verhaal zelfs niet op begrip hoef te rekenen bij mijn dochter. Ik vrees met grote vreze dat mijn volgende bolide zo’n veredelde elektrische scootmobiel wordt met een rond bord erop waar ‘45 km/u’ op staat. Zeg nou zelf dat is toch onredelijk, dan voel je je als man toch gecastreerd.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s